zaterdag 23 juni 2018

Diplomering

Op zaterdag 23 juni was het zover. Na afsluiting van de Natuurgidsenopleiding ontvingen 25 cursisten hun diploma.


zaterdag 7 april 2018

Beheer in Prinsenbos


Verslag zaterdag 7 april 2018

Vandaag is de laatste IVN praktijkles en zijn we te gast in het Drents Friese Wold (DFW), om precies te zijn het Prinsenbos. Herman Slot, boswachter/beheerder bij Staatsbosbeheer heeft ons afgelopen woensdagavond een lezing gegeven over het DFW waarin hij geschiedenis, visie, doelen en werkwijze heeft toegelicht. Nu zijn we ter plekke om e.e.a. met eigen ogen te zien en ervaren.

Het Prinsenbos heeft als doel Natuur. Tijdens de eerste stop vraagt Herman aan de groep: “Wat zie je en hoe interpreteer je dat?” Op deze vraag komen van diverse kanten verschillende antwoorden en vaak ook eigen getrokken conclusies. Algemeen: we zien open plekken, bomen die zijn gekapt of die spontaan zijn gevallen. Boomsoorten, inheems en uitheems.

Verder valt een aantal bomen op (fijnsparren) die er slecht zo niet bijna dood uitzien.
Dit schijnt te komen door de letterzetter. Deze vreet zich een weg tussen de bast en het hout, daar waar de boom groeit. De bast valt eraf en er is geen transport meer mogelijk van water en voeding. Resultaat is dat de boom dood gaat. Echter een dode boom is weer een voedingsbodem voor veel andere organismen.
Als bomen minder weerstand hebben zijn ze vatbaarder voor deze Letterzetter. Dus bijvoorbeeld als de condities veranderen, te droog, te arm etc.

Herman vertelt verder dat 95% van het bos in Nederland is aangeplant. Wat je wilt bereiken is variatie in soorten. Daarnaast verjonging wat inhoudt dat je licht moet creëren.
In de afgelopen 20 jaar is er dan ook al veel veranderd.
Variatie door aanplant van o.a. eiken. Ringen van bomen zodat ze langzaam doodgaan en nog lang een functie in het systeem kunnen hebben. Meer open plekken, variatie in licht, verandering bodem.

Tijdens één van de volgende stops vertelt hij over de vele vennen die hier voorkomen. Om deze te behouden zijn de bomen aan de rand van deze vennen weggekapt. Bomen verdampen namelijk het water waardoor deze vennen uiteindelijk droog zouden komen te staan. Als dit zou gebeuren zou je je kostbare planten en dieren kwijtraken. Daarom zijn de randen van de vennen tegenwoordig aangewezen als Natura 2000 habitat. Hierbij ligt de nadruk op Behoud.
Keuze die je kunt maken t.b.v. behoud is maaien en afvoeren (mechanisch), of je kunt grazers inzetten om de boel kort te houden.

Er is gekozen voor grazers omdat deze ook een andere functie hebben. Ze transporteren namelijk via hun vacht zaden, die elders in de omgeving weer worden “afgezet”.
Om de grazers volop de ruimte te geven in o.a. het bosomvormingsproces, zijn op veel plaatsen de rasters weggehaald. Grazers zijn echter een middel en geen doel. De verwachting is dan ook dat 95% van de dieren de komende jaren weer uit het gebied zal verdwijnen.
Aangezien het bos voor bescherming zorgt, is het verstandig om tussen de open plekken corridors/verbindingen te maken.
Daarnaast verschijnen op open plekken vaak bremstruiken. Deze trekken weer veel insecten aan.

We houden pauze een eind van de “gebaande” paden af. Guido ontdekt net op tijd een vogelnest met eitjes en schermt dit af. Dit leidt tot de vraag of we wel overal mogen komen zoals Herman eerder aangaf. Herman vertelt dat dit in principe wel mag. Maar gezien het nest dat we net daarvoor bijna vertrapten heeft de voorkeur natuurlijk toch de paden. Ervaring leert ook dat bijna alle bezoekers/recreanten gebruik maken van de bestaande paden. Slechts een enkeling waagt zich erbuiten. De voorheen in gebruik zijnde beheerpaden worden nu niet meer gebruikt. Deze laat SBB op natuurlijke wijze dichtgroeien.


Herman eindigt zijn excursie met een stukje uitleg over de Oude Willem, voormalig landbouwenclave midden in het DFW. Dit is zo’n 30 hectare groot en was voorheen een boerenbedrijf.

Er vindt al enige tijd een transitie plaats van landbouw naar natuur.
Alle elementen uit het Nationaal Park komen hier voor, bossen, graslanden, heides, nat en droog, loofbomen en naaldbomen. Alle geïsoleerde rasters zijn weggehaald waardoor er interactie plaatsvindt door de grazers. Er is/wordt geplagd, gegraven, sloten zijn/worden gedempt.


Volgens de kaart Gebiedsontwikkeling zal er een “volledig beekdalherstel plaatsvinden, waarbij het gebied Oude Willem als bovenloop en brongebied van de Vledder Aa wordt ontwikkeld. Verder wordt ingezet op herstel van de natuurlijke waterhuishouding en een geleidelijke landschappelijke overgang tussen het bos op de hogere gronden en de lagere open delen in Oude Willem. Recreatief gebruik van het natuurgebied is mogelijk door de aanleg van nieuwe struinpaden.”
Daarnaast is een deel van de voormalige boerenwoning bewust blijven staan om tot ruïne te worden.


Als afsluiting worden we nog uitgenodigd dit gebied vooral ook in andere seizoenen te komen bezoeken.

Verslag: Desiree Frederiks

woensdag 4 april 2018

Mens en landschap en beleid

Woensdagavond 4 april

De gastspreker van vanavond is Herman Slot, boswachter/beheerder bij Staatsbosbeheer bij  Nationaalpark de Drents Friese Wold. Zaterdag 7 April geeft hij ons aansluitend op deze lesavond over beheer een excursie in het prinsenbos(een gebied in het Drents Friese Wold).

Natuurmoment Wilma: 

Wilma heeft gekozen voor het thema vogels, en als zintuigelijke ervaring; luisteren. We krijgen een opname te horen die ze zelf heeft opgenomen, namelijk van vogels in de eiken op haar erf. Het fragment is van goede kwaliteit en ik luister aandachtig en doe af en toe mijn ogen dicht om me nog beter te kunnen focussen. Het fragment duurt een paar minuten en ik vind het moeilijk om er achter te komen welke vogel het is. Na het fragment vertelt Wilma dat het om  het geluid van een steenuil gaat. Leuk geluidsfragment en een geslaagd natuurmoment.

Natuurmoment Baukje: 

Baukje begint verrassend met dat ze langs een kunstgalerie is geweest en laat daar wat foto’s van zien, foto’s van een soort natuurkunst. Dan zegt ze dat het nepnieuws is en dat ze helemaal niet naar een kunst galerie geweest, maar dat ze deze mooie kunstwerken gewoon in de tuin heeft gevonden. Vervolgens laat ze mooie natuurkunst zien, in de vorm van oude bladeren etc.. Het is inderdaad prachtig om te zien, de nerf, de kleuren, de half vergane bladeren. Het is een soort kunst op zich. Leuke levendige presentatie vol verwondering en details.

Joop vertelt kort wat over een lezing waar hij heen geweest is. Hij is naar een lezing over de complexiteit van de bodem geweest van Marc Siepman. Joop is er door verwonderd en gegrepen. Een aanrader voor iedereen die meer over de bodem wil weten. Joop durft na het bijwonen van de lezing bijna niet meer te spitten in de tuin. 

Lezing Herman Slot. 

Herman vertelt vanavond specifiek over zijn werk als beheerder bij het Drents Friese Wold. Hij gaat ons het een en ander vertellen over de geschiedenis, werkwijze, visie, doelen etc..  Zo heeft het Drents Friese Wold meerderde eigenaren. De vier grote terreineigenaren zijn; Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, het Drents Landschap en de Maatschappij van weldadigheid.
Het Drents Friese Wold is groots en weids, het is in totaal 6000 hectare waarvan 4000 hectare in het bezit van Staatsbosbeheer is. Staatsbosbeheer zelf, is ontstaan in 1880. Toen men begon met het ontginnen van heide op grote schaal en het aanplanten van bos. Het bos vanaf 1910 is of stuifzandbos( vastleggen stuifzanden) of ontginningsbos (houtproductie). Je hebt in het bos nu te maken met twee generaties bos. Namelijk; de generatie van 1910-1930 (in deze periode is alles aangeplant) en generatie van 1974 (een zeer zware storm zorgde toen voor veel schade in de bossen en de kale plekken zijn toen opnieuw ingeplant).

De doelen vroeger waren stuifzand bedwingen en houtproductie. De doelen van nu zijn heel anders. Houtproductie in Nederland is ook helemaal niet winstgevend. De doelen van nu zijn: natuurherstel, recreatie, diversiteit in het bos brengen, minder productie meer natuur, het bos zoveel mogelijk de kringloop laten sluiten.

Het Drents Friese Wold is een Natura 2000 gebied. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Dit levert ook een aantal knelpunten, instandhouding versus ontwikkeling. Soms staat het bos de Natura 2000 in de weg. Bomen kappen om verschillende redenen, om bepaalde natuurtypen te beschermen, bijvoorbeeld; vennen, stuifduinen, heide.

De komende jaren is  Staatsbosbeheer bezig met een grote waterloop reconstructie. Veel sloten en grote opvoersloten worden gedempt. Zodat het water weer op een natuurlijke manier uit het gebied kan lopen, in plaats van dat het vierentwintig uur na dat het regenwater is gevallen alweer voorbij Meppel is.

Vijf minutenpraatje Marie José; 

Het thema is wandelen. Marie José leest een stuk tekst voor uit het boek de drie podagristen. De drie schrijvers hadden in 1843 een voetreis gemaakt van Bad Bentheim naar Assen. Onderweg tekenden zij volksverhalen, dialectwoorden en andersoortige wetenswaardigheden op. Het is een vermakelijk stuk. Het schetst een mooi beeld van Drenthe zo’n 175 jaar geleden. Interessante paralellen met onze tijd. Grappige anekdotes over onder andere landschapsbeheer en het uiterlijk van het landschap. Mooi betoog en een leuk verhaal.

Na de pauze heeft Herman slot iets interactiefs voor ons voorbereid. Hij heeft een grote kaart van het Drents Friese Wold klaargelegd en diverse kaarten en mappen van het gebied. Hij doet een rondje vragen over wat voor ons natuurbeleving is. Dit levert leuke gesprekken en interessante inzichten op.

Ik vond het een leuke en interessante lezing en heb weer veel opgestoken. Zaterdag gaan we met Herman het Drents Friese Wold in. Leuk, nu al zin in!
Verslag Geert Huisman

zaterdag 24 maart 2018

Excursie Landgoed Rheebruggen

Vandaag bestaat de excursie uit een wandeling. De groep wordt in tweeën verdeeld. Jan en Map gaan vanaf het informatiebord gezien rechtsom en Joop en Guido gaan linksom het landschap over. Ik loop met de tweede groep mee. 

Guido vertelt bij het eerste bosje dat het werd gebruikt als geriefbos (kenmerk: geen oude bomen, arme grond). We komen langs een pad met aan twee kanten oude houtwallen. Dit is te zien (o.a.) aan de aanwezigheid van eikvarens. Eikvarens zijn volgens Joop gemakkelijk te herkennen omdat ze één splitsing in de veren hebben (enkel geveerd). De eikvarens zijn in Drenthe achteruitgegaan door stikstofdepositie.

In het volgende bosje staan o.a. douglassparren. Die zijn te herkennen aan de drie ‘tandjes’ van de dekschubben die uit de kegels steken (‘veertjes’). Daarnaast is de boom te herkennen aan is de sinaasappelgeur (citroen/mandarijn werd ook in de groep gezegd) die je krijg na het wrijven van de naalden.


Guido wijst ons op een ‘ronde weide’ met een losse boom hier en daar. Kenmerkend voor een landgoed. Dit is een goede plek voor vleermuizen.

Als we verder lopen, zien we aan een kant van het pad een eikenhoutwal en aan de andere kant vooral elzen (met ook afwisseling met andere loofbomen). De kant met de elzen ligt lager in het beekdal.
Dan zien we een boerderij met tuin en daar staan ineens allemaal voorjaarsbloeiers. Op dit moment bloeien nog vooral de sneeuwklokjes en narcissen, maar er komt al meer op (maagdenpalm, bosanemoon). Hier woonde ooit de Artis-bioloog Dick Hillenius (1927-1987). Hij heeft veel werk van zijn tuin gemaakt. Hij plaatste er o.a. deze voorjaarsbloeiers maar ook ander loof – en vooral: hij liet het staan. Hierdoor wordt de bodem verrijkt (in tegenstelling tot de geriefbosjes).

We lopen verder naar ‘het strand van Uffelte’ gelegen in de Brede Beek. Dit strandje wordt in de zomer gebruikt als zwemstrandje. Voor het kanaal er was, werd deze Brede Beek gebruikt om te varen. Guido vertelt hier nog een keer over het systeem van het bevloeiing. Ik vang op dat hij uitlegt dat de naam laken altijd verwijst naar de beek die het water opving. Helaas kreeg ik niet alles mee. Er is hier namelijk gebaggerd en Joosje en ik vinden zoetwatermosselen en een steen met ‘jonge mosseltjes’ erop ‘geplakt’. In de notulen van 10 maart is meer te lezen (o.a. bij Tips) over het systeem.



Onderweg vliegen kramvogels voorbij. Er zwemmen knobbelzwanen in de vaart en we horen o.a. een grote lijster, vinken, roodborstjes en winterkoning.

Het wandelingetje naar de vaart bleek een klein uitstapje, we lopen een stukje terug om het rondje over het landgoed af te maken. Het bosje waar we nu langslopen heeft aan de ene kant een oud bos (diverse soorten bomen) en aan de andere kant rijen met jonge aanplant. Het is onmiskenbaar jonge aanplant: de bomen staan in duidelijke rijen en er is nergens een dikke of oude stam te vinden. Het hout wordt waarschijnlijk over een tijd gebruikt als kachelhout. Iemand vraag welke bomen het zijn, een ander weet het antwoord: ‘Ik denk eiken: kijk maar naar het blad eronder.’ ‘Oh ja.’ Zo leren we ook telkens van elkaar… ;-)

Even verderop staan de nieuwe eiken wat verder uit elkaar en zijn de stammen wat dikker. Misschien een test om te kijken wat het beste werkt? Als ik even buk om een zakdoek uit mijn tas te halen, zie ik sterrenschot liggen. Terwijl iedereen om het sterrenschot heen komt staan, vliegt achter de groep vanuit de jonge aanplant een houtsnip weg.

Onderweg laat Joop af en toe dingen zien: o.a. vogelmuur, veldkers, muskuskruid en ook de zwarte en gele trilzwam. De zwarte trilzwam leeft op dood hout, de gele leeft op myceliumnetwerken van andere zwammen (o.a. eikenschorszwam). Joop wijst ons erop dat het zomaar eens kan dat je in dit bos een bijzondere varen tegenkomt die eerder niet in Drenthe voorkwam. Dat is in soortgelijke bossen gebeurd. Meer hierover lees je hier.

De vlier en kamperfoelie krijgen al blad. Guido legt uit dat ze geen knopschubben hebben, daarom zie je gelijk het blad.

‘Er groeit veel pitrus op de weides, het is dus een nat gebied,’ merkt iemand op. ‘Het is een beekdal, dus dat klopt’, zegt Guido. Op het brede pad zien we dassensporen in het zand. We kunnen het spoor een heel eind volgen; de das heeft het karrenspoor een hele tijd aangehouden. Dan komen we bij de weilanden. Het verschil tussen het weiland van een ‘gewone’ boer en dat van het Drents Landschap is goed te zien. Als we na de pauze verder lopen, zien we twee hazen rennen in het veld. Guido wijst ons erop dat hier duidelijk de vorm van het beekdal in het landschap te herkennen is. Dichter bij de beek is geen bos, want dit gebied werd gebruikt als hooiland. Pas verderop staan de houtwallen, daar waar je ook sloten met water kunt hebben (i.v.m. vee).

Een grote oude eik die onder de klimop zit wijst op de aanwezigheid van een beekje. Hier komen we bij twee biologische graanakkers. Joop vindt hier klimopbladerereprijs. De plantjes bloeien al.


De rij oude beuken wijst ook weer op een oud landgoed. Hier staat nu een boerderij, maar hier stond eerst de Havezathe. De onderstam van de meeste beuken groeit scheef. Daarvoor is zo 1-2-3 geen definitieve verklaring voor te geven. Wel leuk om hierbij stil te staan en over na te denken. In het veld naast de beukenhaag is een duidelijk hoogteverschil, het is keileemkop.

De laatste stop voor we bij de auto’s zijn, is bij een weide waar we de Scheidgruppe (de oude beek) zien lopen. Hij meandert door de weide, een heel smal strookje. Vroeger was de Scheigrubbe veel breder, toen was het ook de grens (‘scheid’). Al in het begin van de veertiende eeuw vormde het waterloopje Scheidgruppe, dat langs de westkant van Rheebruggen liep, de grens van de kerspelen Ruinen en Havelte (bron). In de verte zien we een bult vier meter boven het landschap. Duidelijk door mensen gemaakt. Het is een motte. In de tijd voor Karel de Grote gebruiken de edelen (toen waren het vooral roofridders) deze berg als versteviging. Hoe het precies ging, is niet beschreven.

Afsluiting door Guido: de volgende les en excursie zijn de laatste. Vergeet niet je vragen over de eindopdracht dan nog te stellen. Verdere vragen over de opdracht kun je mailen naar Guido. Let op: 15 mei is de (harde) deadline voor het inleveren van de eindwerkstukken.


Tips:



Door Elisabeth

zaterdag 10 maart 2018

Excursie landschap lezen

Zaterdag 10 maart

Om 9.30 uur verzamelden we ons bij de Kwasloot in Kalteren. Guido heette iedereen welkom en begon met zijn verhaal. Hij legde aan de hand van oude kaarten uit hoe het gebied er vroeger uit heeft gezien. De Kwasloot is de grens van de Marke van Wapse en de Marke van Diever. Deze sloot is gegraven om zo snel mogelijk het zure water van het heideterrein af te voeren naar de Wapserveensche Aa. 

Figuur 1. Guido liet een oude kaart zien met daarop de es van Wapse met vier buurtschappen




Op de kaart is onder andere te zien dat Wapse vroeger een es had met vier buurtschappen. Op een gegeven moment is er een melkfabriek gebouwd op de es. En vanaf dat moment is er verder gebouwd op de es. Dit was omstreeks 1870. Nu ligt het dorp Wapse midden op de es.

De wandeling

Na deze uitleg zijn we gaan wandelen. Onderweg vertelde Guido over de hooilanden en de houtwallen. Hij liet zien waar de hooilanden lagen en waar de weilanden vroeger bevloeid werden. Onderweg hoorden we vele vogels fluiten. Het wordt lente.

Op een gegeven moment kwamen we bij een boomsingel waar een dubbele sloot in lag. Hier waren een aantal bomen met klimop begroeid. Dit is een kenmerk van een bron. De bronnen werden vroeger gebruikt om water tijdelijk in op te vangen voordat de weilanden bevloeid werden. Klimop in een boom is een indicator voor kalkrijk kwelwater.
Figuur 2. Klimop als indicator voor kalkrijk kwelwater

Vroeger werd er veel kleinschalig geboerd. Er waren veel kleine bronnen. Elke bron bewaterde een klein deel van de weilanden. In het landschap van nu kun je meerdere bronnen terug zien in het landschap.

Spaarbekken

Even verderop kwamen we aan de een aantal spaarbekken. De naam zegt het al; het zijn opvang bakken om het water tijdelijk in op te slaan. Het water werd gebruikt om de weilanden te bevloeien. Guido nam ons mee naar de spaarbekken in een bosje. Hij liet ons de walletjes/dijkjes zien van de spaarbekken en attendeerde ons op de plek waar de spaarbekken makkelijk open gegraven kon worden om het water er uit te laten vloeien. In dit bosje waren een stuk of drie spaarbekken te vinden.

 

Figuur 3. Ook de eikvaren stond langs de kant van de weg
Maar er was nog meer te zien. Zo zagen we een enorme dassenburcht. Eén van de spaarbekken is geruïneerd door de dassenburcht waardoor het nog lastiger is om te zien dat het een spaarbekken is.

Aan de rand van het bos kwamen we bij een sloot. Deze sloot loopt langs de weilanden en voert het water af. Vroeger had deze nog een aantal zijdammen, maar het waterschap heeft haar best gedaan om hier een rechte sloot van te maken. Omstreeks 1950 werden de laatste weilanden bevloeid. Daarna maakte de kunstmest zijn intrede. De cultuurtechnische dienst vond dat het water zo snel mogelijk afgevoerd moest worden naar Meppel. Daar komt men nu langzaam maar zeker weer op terug.

Figuur 4. Spaarbekken met dassenburcht
Na het bezoekje aan de spaarbekken liepen we verder en zagen we aan de rechterkant de es van Wapse. Wapse had vroeger veel graslanden en daarom veel koeien. Ze hadden minder behoefte aan schapen en daarom werden de graslanden vooral bemest met koeienmest. Dit zorgde ervoor dat de graslanden niet zo snel verhoogd werden als met de plaggen van schapenmest. Ieder dorp had haar eigen specialiteiten en beheerde de essen op haar eigen manier.

Figuur 5. Drinkbak voor vee

 
Guido liet ons ook de drinkbak voor vee zien. Het is een sloot met dammen waardoor het water niet weg kon stromen. Als het vee met de koeherder van de stal naar de weiden gingen, konden de koeien uit deze sloot drinken.

Na de pauze liepen we over een fietspad en zagen we de overgang van houtwallen met graslanden naar open veld waar sloten als grens werden gebruikt. Hier zag je ook de moderne afwateringen; brede sloten die het water afvoeren naar de Wapserveensche Aa. Midden in één van de weilanden ligt een bosje. Eén van de theorieën waarom dat bosje daar ligt is dat dit een miltvuurbosje is. Als koeien vroeger miltvuur kregen werden ze begraven. Miltvuur blijft, ook na de dood, besmettelijk en men moest hier vanaf. Door de besmette koeien te begraven werd het besmettingsgevaar aanzienlijk minder. Vooral in Noord- en Zuid Holland zie je veel van deze bosjes, omdat er veel veeteelt was.

Guido nam ons mee langs de kwasloot terug naar de auto’s. Onderweg genoten we van de fluitende vogels. Het was weer een fantastische excursie. Bedankt!



Figuur 6. Wandeling langs de kwasloot
Tips: 

Verslag Gina Fieten

woensdag 7 maart 2018

Landschaplezen, woensdag 7 maart

Jan opent de avond. Aanwezig is Mike Hirschler, opleidingscoach van het
cursusteam. IVN heeft coaches ingesteld om de kwaliteit van de opleiding te
bewaken. Mike is betrokken bij een NGO opleiding in Deventer, die in januari
2018 is gestart.

Natuurmoment Ronny

Lichten uit, en een impressie van een avondwandeling in het donker.
Luisteren:
lopen op krakende takjes, geluid van bosuil, rugstreeppad en kwartel.

Ruiken:
Geur van een bloemrijk veld, hooi, kruiden.


Natuurmoment Mandy

 Drie bedekte bakken met allerlei materialen waarin we mochten
voelen:
ijs, takjes, dennenappel, stekels aan een takje, hazelaar, eikel, mos etc.

Landschap lezen door Guido Nijland

Het zintuig dat nog niet uitgedaagd was deze avond:
zien,
kijken, door vier, nee vijf brillen om goed waar te nemen wat de vele
landschapsfoto’s te bieden hebben. Enkele plaatjes die niet veel
aanknopingspunten bieden doordat, zoals Guido het noemde, deze terreinen
vernacheld zijn. En vele foto’s die wel de mogelijkheid bieden uit de
landschapselementen op te maken waar het is, welke geschiedenis dit
landschap heeft of waaruit de bodem bestaat.

Vaak is kennis als basis van de conclusies noodzakelijk.

De brillen:

  • Verticale samenhang
  • Horizontale samenhang
  • Historische samenhang
  • Seizoens-samenhang
  • Duurzaamheidsbril: kleinschalig i.p.v. grootschalig (toegevoegd door Mike)

Toelichting bij de foto’s:
  1. Sparrenbosje zegt niet zoveel, maar wel berkenbos en bosbes: redelijk arme
    zandgrond
  2. Water, bodem, reliëf. Bollengrond, geestgronden = duinzand vermengd met klei
    en/of veen dat van elders is aangevoerd. Suikerbiet, gerst, riet: kleigrond
  3. Verdroogd hoogveen, water loopt eruit, schriel bos
  4. Es, beek elzen, populieren – laag
  5. Rivier met uiterwaarden, dijk
  6. Pachtboerderijen, meidoornhaag in uiterwaarden, landgoed Middachten
  7. Balloërveld 1898 en 2006: structuren nog hetzelfde
  8. Leeftijd van een kerk zegt vaak iets over leeftijd bebouwing
  9. Rabatten voor afwatering waardoor boomgroei mogelijk is in erg nat gebied
  10. Seizoensbril: voorjaarsbloeiers, sleedoorn- vroeg in voorjaar; meidoorn
    bloeit pas als populieren in blad staan
  11. Hoogveen met wollegras en turf
  12. Beekje met kwel: iets van vroeger
  13. Kwelder, want zeekraal
  14. Rugstreeppad op zand; kalkrijke duinen op Schiermonnikoog – vrij uniek
  15. Korenbloemen, roggelelies- oude roggeakker
  16. sporen bever: dam en vraat
  17. embryonale duinen, stuifdijk
  18. uiterwaarden; steeds nieuwe oeverwallen
  19. Eik dikke stam, kleine kroon: in oorlog de kroon afgekapt voor schootsveld
  20. Pinksterbloemen, greppels, rabattenbos: nat, klei, binnendijks in rivierdal
  21. Ierland, hunebed van 7000 jaar geleden. Met kennis van eigen gebied kun je
    ook in het buitenland landschapselementen herkennen.

5 minutenpraatje van Henny H.
De belasting vraagt naar ‘huisgenoten’. Dat laatste was het onderwerp en
Henny liet ons meegenieten van de huisgenoten, van dak tot en met kelder.
Vele dieren kunnen een plek vinden in je huis!
Nog een serie van 12 foto’s, waar we zelf betekenis aan konden gaan geven.
Het bleek nog niet zo gemakkelijk.
Naar aanleiding daarvan vertelde Guido over hoe vroeger de graslanden werden
bevloeid door er het water uit beekjes met goed water over heen te laten
lopen = beëmen, voor voedsel en tegen vorst. Dat water werd soms via een
tweede beek onderlangs weer omhoog geleid en nogmaals gebruikt. Het gras
groeide dan weken eerder en men kon twee sneden gras oogsten.

Slecht, zuur water dat van de heide af kwam, werd langs het land afgevoerd
in een kwasloot.

Het bevloeien werd verboden door de Cultuurtechnische Dienst (tegen de wens
van de boeren), wat op de duur tot gevolg had dat de graslanden te arm
werden voor koeien en dat er alleen schapen op geweid konden worden.
Mike gaf als reactie dat hij een positieve sfeer heeft geproefd in deze
groep. Hij was onder de indruk van de presentaties van de groepsleden en van
de les.
In de volgende theorieles wordt na de pauze aandacht besteed aan de
beoordelingscriteria voor de eindwerkstukken, en er is gelegenheid om in
groepjes te praten.
Zaterdag verder.

We verzamelen ten zuiden van Kalteren, bij Diever. Parkeren in de berm.

Verslag Nelleke Jintes

zaterdag 10 februari 2018

Cultuurhistorie in Lhee

Verslag excursie zaterdag 10 februari 2018. Verzamelen bij parkeerplaats bij Astron.
De rondleidingen worden gegeven door Annemarie Blom en Janny van Meurs.

De groep werd gesplitst. Een groep liep richting Lhee en de andere groep onder leiding van Janny van Meurs ging richting Astron en de heide. De groep richting Lhee werd geleid door Annemarie Blom en reeds op het eerste stukje van de parkeerplaats richting Lhee zagen we heuveltjes in het bos. Deze zijn ontstaan als gevolg van het houden van schapen, waar de heide afgeplagd is en de plaggen gebruikt voor in de stallen. Als gevolg van afplagging kwam er weer stuifzand en ook doordat de schapen bepaalde, vaste paden liepen kreeg je uitholling en stuifzand.

Vervolgens kwamen we op de ZuidLheeder es. Hier waren volgens een kaart van 1832,  2 grafheuvels. Deze zijn niet meer te zien. Annemarie heeft met Guido grondboringen gedaan en hierbij vonden ze onder een dunne esdeklaag van 30 cm een cultuurlaag die volgens Guido gemengd was met plaggen. Er onder vonden ze een holtpotsellaag. De plaggen wijzen op een grafheuvel. Deze werden meestal gebouwd met plaggen. Op hoogtekaarten wordt aangegeven dat de Loobarg, de grafheuvel, 3,5 meter hoog zou zijn geweest. Later is de grond van de heuvel gebruikt om de weg die in de laagte ligt op te hogen. Op de kaart van 1900 is nog maar één grafheuvel te zien.

Annemarie vertelde dat er 5000 jaar geleden al geboerd werd op deze es. Deze ligt, ook zonder dat er potstalmest opgebracht was, hoger. Dus droger. En bij deze hoge akkers werd gewoond. Ook moet er water in de buurt zijn. De boeren hadden geen vaste behuizing maar verhuizen van tijd tot tijd. Op de plaats waar men eerst dan woonde was er vruchtbare grond achtergebleven en deze gebruikte men dan weer als akker. De wende akkers zijn de akkers of het gedeelte van de akker waar men draaide met het paard en of wagen.

Bij opgravingen vlakbij de es vond men 2 trechterbekers van ongeveer 5000 jaar oud.
2000 Tot 1000 jaar geleden begon men met proto-es. Men had dan vierkante grote stukken land met het huis midden op de akker. Men maakte omheiningen van takken, gevlochten hagen.
Na een tijd van oorlog kwam Karel de Grote aan de macht. Hij verordende dat men niet meer mocht verhuizen. Vanaf dat moment kozen de bewoners van Lhee een vast woonplaats. Men kreeg een stuk land en binnen dat stuk mocht men wel verhuizen. Dit was omdat men dan te vinden was voor de belasting. Verder moest men Christen worden, en mocht men geen grafgiften meer meegeven met de doden. Dit leverde een grotere welvaart op.





Er waren 11 boeren in Lhee die een boerderij met erf startten. Ongeveer 900 jaar na Christus.
We lopen verder het dorp in en bij de Thiesakker laat Annemarie een Franse kaart zien uit 1811.
Hierop is te zien dat er verschillende boerderijen staan, langs de rand van de Zuid- en Noord Lheeder es. Vanaf de Dwingelderstroom tot aan Lhee, was het stroomdal wat heel vruchtbaar was. En wat men door middel van een schut kon laten bevloeien met water. Verderop ligt het helveen.  Hierkomt kalkrijk kwelwater naar boven en op de huidige brink in Lhee heeft ooit een boortorentje gestaan. Echter zonder succes.




We lopen verder naar de graanspieker. Dit een een opslag voor graan en boter ten behoeve van de belasting of pacht voor de bisschop. Er is alleen nog een soort kelder gemaakt van veldkeien te zien. De ingang zit noord-west. Er boven moet een soort opslagruimte gebouwd geweest zijn, waarbij het graan muisvrij bewaard kon worden.

Het tweede gedeelte van de excursie met Janny van Meurs gaat richting de heide. Via een pad door het bos komen we aan de rand van de heide ter hoogte van de radiotelescoop. Bij de telescoop is een adderwal. Deze ligt gericht op het zuiden en warmt dus snel op. Hier zijn in het voorjaar vaak zonnende adders te vinden.

In de verte zien we de Davidsplassen. Deze liggen ten opzichte van het pad waar wij op staan, hoger.
Het water blijft hierop staan doordat er een vrijwel ondoordringbare keileem laag onder zit.
We lopen door een gebied waar jeneverbesbossen groeien. Dit zijn pioniersplanten, die er zijn gaan groeien na dat men de schapen niet meer vrij op de heide liet grazen. We komen bij het Smitsveen langs. Dit is een pingo-ruïne.

Vervolgens komen wij bij twee grafheuvels. Deze zijn ontstaan in de bronstijd. 2000 voor tot 800 na christus. In de grafheuvel heeft van Griffen, dé archeoloog in Drenthe, 2 boomkisten en een bronzen naald gevonden. Hij heeft de grafheuvels onderzocht via de kwadrant uitgraving, waarbij niet de hele grafheuvel overhoop wordt gehaald. Om deze grafheuvels werden meestal een palissade omheining geplaatst.  De grafheuvels waren meestal van een familie.

In deze tijd ging men in grotere boerderijen wonen waarbij het vee onderdak kwam. De mest van de koeien ging men gebruiken op de akkers. Men vermoed dat er een volk uit de Oekraïne richting ons gebied is getrokken en dat onze taal daar ook vanaf stamt. De indo-europese taal. Het gebruik van melk en melkprodukten stamt ook van deze tijd.

Hierop volgend kwam de ijzertijd. Het werd veel gestructureerder. De boerderijen werden weer kleiner met meer bijgebouwen. Men maakte akkers van 30 bij 30 meter met walletjes. Raatakkers. Men hield naast koeien ook varkens.  Men begroef de doden niet maar cremeerde. En plaatste daarna de urn in een grafheuvel. Deze heuvels zijn veel kleiner dan de grafheuvels uit de bronstijd.
De tijd is om, de geschiedenis is nog lang niet klaar. Immers elke dag weer nieuwe.


zaterdag 27 januari 2018

Excursie op het Holtingerveld en de Havelterberg

Naar aanleiding van de theorieavond  (24-1) over  Geologie hebben wij een bezoek gebracht aan de bovengenoemde terreinen. Wij hebben ons verzameld op Parkeerplaats “Toegangspoort Holtingerveld”. Hierna werden wij gesplitst in 2 groepen: De ene groep ging met Jan mee en de andere groep ging met Guido mee.  Er werd vermeld dat wij een bezoek zouden gaan brengen bij “de ronde cirkel” en de hunebedden. Het was mooi zacht en droog weer, kortom ideale omstandigheden.
Wij werden gewezen  op het bezoekerscentrum in aanbouw en  op de schaapskooi. Verder is er een kinderspeel/beleefplaats met Wigwams. Verder liepen wij langs een aantal heuvels waarvan Guido ons vertelde dat het verborgen Hangars van de Duitsers zijn die overgebleven zijn uit de 2e wereldoorlog. Deze zijn allemaal met de schop gemaakt.  Verder liggen  er in dit gebied veel bomkraters, welke allemaal een soort kleine vennetjes zijn en  bijna nooit droog staan en ook niet instorten en dicht groeien doordat de bodem van keileem is.

De Havelterberg is een stuwwal die opgestuwd is door een Gletsjer. Hier boven op kun je nog een grasland met diverse bijzondere planten, waaronder Orchideeen , vinden, verder vind je er veel bos. Op de helling  naar beneden stond een NIVON-huis. Daarna zijn wij het zandpad in het gletsjerdal  opgelopen, daar kun je stenen van diverse grootte vinden:  Erosiemateriaal achtergebleven  in de ijstijd (Saalien). De onderste stenen zijn door de enorme druk van de ijsmassa vermalen, de stenen die ergens in het midden of bovenin mee stroomden zijn minder gesleten. Gletsjers vonden op hun reis op de lagere plekken minder weerstand, waardoor ze daar langs zijn gestroomd.
Ondertussen  hebben wij het nog even gehad over het smelten van de gletsjers  op de Noordpool: Als al het ijs zou smelten zou dat een zeespiegelstijging teweeg brengen van  60 meter (en alleen Groenland 6 meter).

In onze groep werd opgemerkt dat het zand verschillend van kleur was: Dit komt doordat het één dekzand (Geel) is en het andere vermengd is met de podzollaag door verstuiving (Grijs).
In Drenthe zijn er mogelijkerwijs 2500 mogelijke Pingo (Groeiende Berg) ruines te vinden.
Toen waren wij aangekomen bij de “cirkel”. Dit gebied is onderzocht door Enno  Bregman. Hij heeft ontdekt dat  hier  geen sprake is van een Pingo, maar een  ophoping van een enorme berg ijs, die daar een tijd stil gelegen heeft  en de wallen  van erosiemateriaal en zand heeft achtergelaten. Hier zijn ook  de overblijfselen van de nederzettingen van de Rendierjagers gevonden zijn.
 (De Havelterberg is ongeveer  19 meter hoog, de bodem van de cirkel is 4 meter hoog en de hoogte van de wal varieert tussen  5 en 7,5 meter.)
 

Verder hebben wij nog even stilgestaan bij een aantal recentere landschapssporen: Een kaveltje waar iemand een boerderijtje/ontginninkje heeft proberen  te beginnen.

Hierna zijn wij langs hunebedden gekomen. Deze zijn hier  zo’n 6000 jaar geleden gebouwd.  Deze graven liggen net buiten het bebouwde gebied van  de toenmalige bevolking. Ze liggen echter wel aan een doorgaande weg, zodat anderen konden zien dat dit hun leefgebied was. Men woonde aan de Zuidflank van de stuwwal, waar de weersomstandigheden gunstiger zijn. Tijdens de 2e wereldoorlog is het ene hunebed bedekt geweest met Zand en is de andere begraven geweest om de geallieerden te desorienteren, zodat men deze objecten niet kon gebruiken om te navigeren. Na de 2e wereldoorlog is deze naar met behulp van  foto’s van mijnheer Van Giffen  gerestaureerd.

Hierna zijn wij de stuwwallen weer op gelopen, waar wij langs een tiental grafheuvels zijn gekomen. Deze stammen uit 500 BC tot even na het begin van de jaartelling. Dit terrein wordt regelmatig gemaaid opdat men de grafheuvels goed kan zien.  Ook hier in de buurt zijn weer veel bomkraters te vinden.
 
De groep van  Guido, onze groep was 2 minuten voor 12 terug,(te vroeg), maar de andere groep was reeds gevlogen, die waren er 10 minuten eerder. Alleen Jan was er nog.
Het was wederom een erg leuke en leerzame excursie.

Verslag Tienes Bouman

woensdag 24 januari 2018

Geologie en morfologie

Verslag 24 januari,

19.30 uur: De avond begint met het natuurmoment van Harmen over geuren.
Zijn presentatie illustreert zijn passie voor hout. Hij geeft 4 soorten hout
door aan de groep, en nodigt de groep uit de takjes te breken en eraan te
ruiken. De geur van pas gezaagd hout is bij twee soorten duidelijker dan bij de
andere twee. Harmen heeft ons vogelkers, dennenhout, beuk en eik ter
identificatie gegeven.


19.40 uur: Guido neemt ons mee naar de verschillende ijstijden. Hij laat een
tabel zien van de laatste 3 miljoen jaar van de aarde (Kwartair:
ijstijden en tussenijstijden). Hoe is de aarde in die tijd gevormd, en wat zie
je daarvan aan de bovenkant, in het landschap terug.

De wetenschap die hieraan ten grondslag ligt, is nog steeds volop in
ontwikkeling. Pas 100 jaar geleden ontdekte men aan de hand van krassen in
gesteente bij Berlijn dat gletsjers in de voorlaatste ijstijd tot diep in Europa
zijn gekomen.

Verplaatsing van massa’s ijs nam grond en gesteente mee (morene), aan de
onderkant van gletsjers werden deze stenen fijner gemalen en vermengd met klei:
afzetting keileem. Dwarsdoorsnede van gletsjers laten jaarringen zien: in de
zomer stagneert de verplaatsing, smelt het ijs oppervlakkig en komt er een laag
aarde overheen.

In het Elsterien bedekte de gletsjers alleen Noord-Nederland: hier
afzetting potklei. In het Saalien bedekte het landijs half Nederland. er
ontstonden stuwwallen: in Noord Nederland bij Havelte, Gaasterland, Zuidwolde.

Stenen uit Scandinavië vind je overal terug waar het landijs heeft gelegen, maar
ook rivieren als de Rijn en de Maas namen heel veel stenen (kleinere, grind) mee
uit hun brongebied en werden in brede rivierdalen gedeponeerd. Het ijs lag op
diverse momenten stil, later schoof daar dan een nieuwe laag ijs overheen, en
nam stenen vanuit noordelijker streken in Scandinavië mee.

IJstongen graven zich in in het rivierdal, duwen de grond en het grind opzij. Je
ziet in het IJsseldal dat de Veluwe van laag naar hoog gaat: de grond wordt door
de gletsjertong opgedrukt. Later zal deze hoogte door erosie weer lager worden.

Door het smelten van ijs ontstonden meren en ijsrivieren, die westwaarts stromen
richting een gebied met onderdruk, onder druk van het afkalvend ijs. Deze
ijsstroom veroorzaakt ruggen en dalen. Door rivieren die weer gingen stromen
werden stuwwallen “onthoofd” .  Aan het eind van de ijstijd ontstaat het
Dwingeldermeer, gevuld met morene, keileem etc. Het meer breekt later door
richting zuidwesten: Dwingelderstroom.


In de tussenijstijd (het Eemien) wordt het weer warmer en breiden planten
en bomen zich noordwaarts uit, en komen zo weer terug in Nederland.

In het Weichselien had Nederland een toendraklimaat (permafrost). Men
spreekt van een arctische woestijn. De Noordzee lag op dat moment droog. Het
waaide er behoorlijk en het kale land werd bedolven onder een dikke laag
dekzand. Op vochtige plaatsen (beekdalen) hoopte het zand zich op en ontstonden
dekzandruggen. Er liepen mammoeten en mammoetjagers door Nederland.
Er ontstonden pingo’s, ijsheuvels die tot 100 meter hoog en 500 meter doorsnede konden worden. (Een zwakke plek in de keileemlaag liet kwelwater naar boven komen dat onmiddellijk bevroor, maar de aanvoer van water ging door).


Het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden):

  • de Noordzee vult zich
  • vorming van veengebieden
  • afzetting beekgronden                                                                                    

Door overexploitatie van gronden door de mens ontstaat stuifzand. Uit het feit dat sommige grafheuvels óp stuifzand liggen kun je concluderen dat dit stuifzand al vóór de bronstijd ontstaat. Je ziet het verschil met dekzand, doordat stuifzand witter van kleur is. Op heidevelden zie je reliëf komen, door verstuiving ontstaan dalen, en vennetjes op keileemlaag blijven hoger en vervenen. (waardoor nattere gebieden hoger kunnen liggen dan drogere).

21.15 uur: Tienes houdt 5 minutenpraatje over het Vechtdalgebied. Dit sluit mooi aan op de lesstof die Guido behandelde: het Vechtdalgebied en het Reestdal liggen samen in wat vroeger een oerstroomdal was. Hij laat kaarten van het gebied zien, en vertelt over het zandbeekje de Reest en de afwateringsrivier de Vecht.


21.20 uur: Guido heeft tassen vol geologische en fysisch-geografische kaarten meegenomen die we mogen bekijken.



21.55 uur: sluiting.

Verslag: Marie José Blans

zaterdag 13 januari 2018

Verslag Excursie Diersporen


We ontmoetten elkaar op zaterdag 13 januari bij de parkeerplaats van “De Hoekenbrink” aan de Bosweg in Diever. De Hoekenbrink is een 75 hectare groot natuurgebied in het Nationaal Park Drents Friese Wold dat in eigendom is van Staatsbosbeheer. De Hoekenbrink wordt in een aantal jaren getransformeerd tot een andersoortig terrein met veel heide en vennetjes. Er grazen schapen en runderen.

 We waren blij dat ook Aaldrik Pot aanwezig kon zijn om ons met zijn enorme kennis van diersporen te helpen leren kijken en belangrijke aanwijzingen te geven om zelf meer te gaan zien.

Diersporen definieert de Nederlands experts Annemarie van Diepenbeek als: …”tekenen die dieren hebben achtergelaten op een plek waar ze iets (belangriks) deden of alleen passeerden”.

Vanwege de groepsgrootte werd besloten om de groep in tweeën te verdelen waarbij een groep met Aaldrik Pot op onderzoek uitging en de andere groep ging spoorzoeken onder leiding van Jan Nijman en Joop Verburg. Halverwege zouden de groepen van begeleiders wisselen. Ik behoorde tot de tweede groep en begon de excursie dan ook op een andere plek en onder andere begeleiding.



Onze groep startte met de opdracht om zelf maar eens al wandelend te zoeken naar sporen van dieren. Zo liepen we over een bospad en speurden naar sporen van leven aan de kanten van het pad. Natuurlijk vonden we ook wel wat zoals aangevreten dennenappels, bladeren met de duidelijke sporen van mineerders die we herkenden na de eerdere uitleg van Elisabeth tijdens de recente cursusavond. Intensief speurden we naar dierensporen op de vochtige zandweg. Sporen die er toch zouden moeten zijn. Na enige tijd verlieten we het zandpad, klommen over een afrastering en liepen de hei op. Daar waren meer ontdekkingen te doen van zowel sporen van dieren als sporen van ander leven.
  


Duidelijk spoor van dierlijk leven.




 Ook een spinnenweb is een spoor



Ook ontdekten we ongewenste sporen van menselijk leven.

Speciale aandacht kregen natuurlijk ook de verschillende soorten keutels die we tijdens onze speurtocht tegen kwamen.
  





Van wie zouden deze keutels toch zijn? 

Wellicht geeft het boek: `Dierensporen` daar een antwoord op.


sporen van grazers.




 
We leerden dat het belangrijk is om je tijdens een speurtocht naar sporen te focussen. Alles zien kan niet en daarom is het goed om je op een bepaald iets te richten en dan ook gericht te kijken.  Je moet leren zaken te zien en te ontdekken. Dat vraagt veel training in het veld en geduld en soms ook wel geluk. Maar ook logisch denken en basiskennis helpen om die bijzondere ontdekkingen te kunnen gaan doen.
 

Wie met Joop wandelt weet bijna zeker ook weer iets van paddenstoelen te kunnen zien en leren zoals hier de prachtige vermiljoenhoutzwam.

 


In het gebied lopen schapen, maar ook reeën.

                  
Ook veren zijn natuurlijk dierensporen.
      

Dit is wel heel letterlijk een spoor van dieren





 Voor een deel van de sporen die we zagen waren deze grazers verantwoordelijk.


 
Indrukwekkende grote grazers. Goed om tenminste 25 mtr. afstand te houden leerden we.
Dat geldt in ieder geval voor de cursisten.
 



 

Mest en een holte. Dat moet wel haast het werk van een kever zijn. 

We liepen weer terug naar ons startpunt waar we de andere helft van onze groep zouden ontmoeten.
Het was de enorme woudreus met een omtrek van ruim 3.50 mtr. waar we langs liepen en die zo een belangrijk oriëntatiepunt is. Vroeger, zo las ik in een blog van boswachter Corné Joziasse, toen het gebied nog hei was, was dit het belangrijkste oriëntatiepunt.

Na enige tijd gewacht te hebben bleek het handiger toch op een andere plek elkaar te ontmoeten namelijk op de zandverstuiving.
 



Van hier vertrokken we met Aaldrik Pot voor het tweede deel van onze excursie. We merkten dat het wel interessant moest gaan worden omdat er zelfs enkele mede-cursisten waren die besloten van groep te wisselen om zo het verhaal van Aaldrik nog eens te horen respectievelijk nog meer te leren.



Aaldrik begon met ons uit te leggen dat je nooit alles kunt zien, maar moet focussen. Ook gaf hij aan dat je wel kennis van het terrein moet hebben en van hetgeen er in dit terrein aan dierlijk leven is om de aanwezigheid van sporen ook te kunnen verwachten en wellicht gerichter te kunnen kijken. Hij waarschuwde ook nog eens nadrukkelijk om voorzichtig te zijn met dierlijk materiaal waaronder ontlasting. Je moet nooit met blote handen aan keutels komen en er ook niet aan ruiken vanwege de kans op besmetting.

Aaldrik legde uit dat je aan keutels kunt zien of ze afkomstig zijn van een planteneter of van een alleseter of van een herkauwer.  Zo zijn is bijvoorbeeld fijn verteerde gladde ontlasting van een herkauwer. Er zijn veel verschillende verschijningsvormen van dierlijke ontlasting veroorzaakt door de voeding. Er zijn ook dieren die profiteren van die afvalstoffen zoals bijvoorbeeld de mestkever.
Vervolgens vertelde Aaldrik het een en ander over pootafdrukken of zogenoemde prenten.

Hij maakte een onderscheid in:
  1. Zoolgangers zoals een das, een beer, een egel;
  2. Teengangers: zoals een kat, een hond, een wolf, een vos;
  3. Topteengangers of hoefgangers: zoals een ree, een hert, een paard.
Belangrijk is te weten dat wanneer een dier snel loopt dat een heel ander beeld geeft dan wanneer een dier langzaam loopt of stilstaat.

Na de theorie gingen we het veld in. We kregen opdracht heel goed te kijken.
Ergens op een modderig stukje hielden we halt want onze gids had iets gezien. Met onze speurneuzen probeerden we dat ook te ontdekken. Na enige tijd bleek het te gaan om drie kleine puntjes die wezen op de recente aanwezigheid van een muis.
 






Onderweg werden we ook nog gewezen op veegsporen van een ree op een boompje.


Opvallend hoe gemakkelijk je aan dit soort zaken / deze sporen voorbij gaat.

Na een eind gelopen te hebben vroeg onze gids ons of ons niets was opgevallen. Toen het antwoord niet kwam gaf hij aan dat we toch wel een heel duidelijk zichtbaar en belangrijk spoor gemist hadden en liepen we terug tot we bij een grove den kwamen.

Hij vroeg ons of we een idee hadden waar al die dennenappels vandaan kwamen en waarom ze juist daar lagen. Toen we ook daarop het antwoord schuldig bleven wees hij ons op het feit dat we hadden kunnen zien dat het een zogenoemde smidse van een grote bonte specht was.

Er lag een enorme berg dennenappels en in de boom was een gleuf uitgehakt waar de specht de dennenappel in kan vastklemmen.



  
  



Zo kwamen we ook bij een boom waar wel heel verschillende diersporen in zichtbaar zijn.


 Boom met veel sporen            

Sporen van een specht, maar ook van kevers.

In deze boom zaten eerst kevers en daarna heeft de specht de larven er uit proberen te halen.




Boom met spechtengaten, maar ook met krassen van de poten/nagels van de specht.


Het was goed weer om sporen te zoeken op de modderigere plekken. We, nou ja Aaldrik dan, vond dan ook de prent van een vos,
 





Bij weer een andere boom, een den, werden we geattendeerd op de aanwezigheid van poppenwiegen van boktorren.


Het gaat hier om de poppenwieg van  grijze ribbelboktor.


Poppenwieg van de grijze ribbelboktor die ook wel gewone dennenboktor wordt genoemd. Het vrouwtje van de grijze ribbelboktor legt haar eitjes onder de schors van een dode den. Uit dat eitje komt een witte larve. Deze larve blijft onder de schors en leeft daar van het dode hout. De larve blijft een hele tijd onder de schors want pas na twee tot drie jaar is de larve volgroeid. Ze is dan een kleine 3 cm lang en maakt in dat stadium de poppenwieg. Die poppenwieg maakt de larve, onder de schors, van kleine houtsplinters die het zelf losmaakt. In het najaar verpopt de boktor in de poppenwieg. Het wordt dan een witte pop die met de pootjes op de borst op de rug in de poppenwieg ligt.

De verpopping gaat snel, waarschijnlijk een kwestie van dagen. Rond kop en borststuk wordt de pop donkerder en verandert dan in een kever. Die kever draait zich om met de pootjes op het hout, maar blijft verder rustig in de poppenwieg zitten en wacht tot het 'buiten' lente wordt. Als de temperatuur goed is werkt de kever zich naar buiten en zoekt een mannetje of vrouwtje zodat er nieuwe eieren gelegd kunnen worden. De volwassen insecten leven waarschijnlijk maar een paar maanden. De poppenwiegen die we zagen zijn dus de restanten en zijn alleen zichtbaar op die plekken op de dode boom waar de schors is verdwenen.

Na die laatste en bijzondere ontdekkingen liepen we weer terug naar het startpunt van onze excursies. Aaldrik Pot werd hartelijk bedankt voor zijn buitengewoon boeiende en leerzame bijdrage. Hij vroeg en kreeg de gelegenheid om reclame te maken voor zijn nu net verschenen dagboek, het sporenboek dat in wording is en natuurlijk voor de mogelijkheid om cursist te worden van een echte opleiding tot sporenkenner. Bij de tips staan ook de links die tijdens de reclamezendtijd voorbijkwamen.

Tijdens de wandeling onder leiding van Jan en Joop heb ik veel foto’s gemaakt met als doel er ook een aantal ter beoordeling aan Aaldrik te laten zien. Helaas liet de camera het op belangrijke momenten afweten en (b)leek de batterij leeg te zijn toen ik ze wilde tonen. Ook dat mag een les zijn voor mij als aankomend natuurgids dat je moet zorgen dat je spullen wel in orde zijn en de batterij vol! Overigens heb ik ook begrepen dat de lage temperatuur een enorm invloed heeft op de accu.
Belangrijk bij het fotografen is natuurlijk ook dat je een meetlatje of een duidelijk referentiepunt hebt om mee te kunnen vergelijken.


Misschien was wel de allerbelangrijkste les van deze morgen hetgeen een, helaas overleden bekende, voetballende Nederlander gezegd zou kunnen hebben: “Je ziet het alleen als je kijkt.”

Tips:
  1. Veldgids Diersporen van Annemarie van Diepenbeek. KNNV Uitgeverij ;
  2. Natuurwijzer Sporen KNNV Uitgeverij: 
  3. www.hetprentenboek.eu 
  4. “De onsterfelijke nachtegalen”  natuurdagboek van Aaldrik Pot en Barbara de Beaufort Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 224 blz. € 18,50. 
  5. http://extrabushcraft.nl/


Verslag:
Adri van der Weyde
10 februari 2018.